2014-12-04 13.35.12

Mediawijsheidscompetentie G2 staat voor: Oriënteren binnen mediaomgevingen.

De weg leren vinden in het enorme media-aanbod is nodig. Om er goed mee te werken moet je je kunnen oriënteren. Het navigeren door een website of een ander medium is telkens iets anders, maar er zijn wel afspraken die op veel plekken terug komen. Die moet je natuurlijk kennen om niet te verdwalen.


Ontdek onze werkvormen en andere lesmaterialen bij de competentie Oriënteren binnen mediaomgevingen.



Ontdek de leerlijnsuggesties bij deze competentie.
Klik op de tabbladen voor de juiste groep.


Doelstelling groep 1/2:

Kan zich oriënteren binnen afgebakende mediaomgevingen met een enkelvoudige menustructuur (zoals een website, of een educatieve app geschikt voor de leeftijd).

Voorbeeldtaak: Kan met programma/app werken

Kan een simpele handeling uitvoeren (OK of start klikken).

1. Programma starten (enkele keren instrueren)

Help kinderen op weg bij het starten van een bepaald programma. Een paar keer voordoen is in veel gevallen voldoende.

2. Programma kiezen uit menu (enkele keren instrueren)

Leer kinderen hoe ze uit een menu dat klaar staat een keuze kunnen maken.

Doelstelling groep 3/4:

Kan zich oriënteren binnen complexere, nog steeds afgebakende mediaomgevingen.

Voorbeeldtaak: Kan met programma/app werken

Kan het programma opstarten en sluiten, en werken in verschillende levels.

1. Programma starten (enkele keren voordoen)

Leer de kinderen hoe ze een veelgebruikt programma op de computer kunnen opstarten. Maak ze daarvoor wegwijs in het menu van het eigen netwerk van de school. Meestal is een enkele keer voordoen al voldoende.

2. Programma afsluiten na gebruik (enkele keren voordoen)

Leer de kinderen dat ze na gebruik van het programma netjes terugkeren naar het hoofdmenu, zodat een volgend kind direct kan beginnen.

3. Volledig gebruik van het programma (instructie als het kind eraan toe is)

Zodra er een programma wordt gebruikt waarin keuzes gemaakt kunnen worden, is een korte instructie daarop gewenst. Als het programma intuïtief in gebruik is, zal dit bijna vanzelf gaan. Let bij kinderen met minder computerervaring op of zij hulp nodig hebben. Geef dan uitleg hoe je door het programma navigeert en keuzes maakt.

Doelstelling groep 5/6:

Kan zich oriënteren binnen complexe, open mediaomgevingen.

Voorbeeldtaak: Kan met programma/app werken

Kan eenvoudige software downloaden, installeren en gebruiken.

1. Afbeelding plaatsen in een presentatie (enkele keren instrueren)

Leer de kinderen hoe ze in een tekstbestand of een presentatie een afbeelding kunnen opnemen vanaf de schijf van de computer. Het gaat hier om het plaatsen van een bestaande afbeelding. Besteed daarbij ook aandacht aan de grootte van de afbeelding. Geef uitleg over het formaat en de resolutie. Laat kinderen vooral ook zelf eens experimenteren met verschillende formaten. Ze zijn goed in staat om zelf de conclusies te trekken wat er belangrijk is om kwalitatief goed beeld te krijgen.

2. Foto uploaden (enkele keren instrueren)

Leer de kinderen hoe ze een foto moeten uploaden naar een programma (bijvoorbeeld een blog, pinterest, een eigen schoolwebsite).

3. Bericht versturen (enkele keren instrueren)

Het versturen van berichten per e-mail is misschien al bekend. Besteed ook aandacht aan het versturen van berichten aan meer lezers. Aan het gebruik van cc en bc. En leg de kinderen uit hoe je een bijlage (bijv. een afbeelding) mee kunt sturen met een e-mailbericht.

4. Software installeren (enkele keren instrueren)

Dit onderwerp leent zich meer voor een lesmoment waarin de werking van de computer wordt toegelicht. De computer heeft programma’s nodig die je moet installeren. Ga wel na of er op de computers in het lokaal wel geïnstalleerd kan worden. Als het netwerk op een andere manier wordt onderhouden is deze taak niet direct door de kinderen uitvoerbaar. Maak dan de vergelijking met het downloaden van apps op een tablet of smartphone.

Doelstelling groep 7/8:

Kent verschillende omgevingen waarin hetzelfde doel bereikt kan worden (prezi versus powerpoint, firefox versus explorer). Weet wanneer welke geschikt zijn om in te zetten.

Voorbeeldtaak: Kan met programma/app werken

Kan switchen tussen de verschillende apps en programma’s, kan instellingen van verschillende programma’s beheren en aanpassen aan eigen wensen, en kan programma’s verwijderen.

1. Soorten programma’s (project)

Als de kinderen kennis hebben gemaakt met diverse programma’s voor basistechnieken is het goed om een les te besteden aan het overzicht van de functies van programma’s. Begin bij de programma’s die op school in gebruik zijn voor: tekstverwerken, e-mailen, presenteren, internetbrowser. Laat de kinderen hier de eigenschappen van ordenen. Wat doe je met welk type programma?

2. Meer programma’s voor hetzelfde werk (project)

Als de kinderen vertrouwd zijn met de programma’s die op school in gebruik zijn, kunnen ze uitgedaagd worden om eens te gaan vergelijken van verschillende programma’s met vergelijkbare functies. Gebruik je thuis hetzelfde programma voor browsen op internet? Laat de kinderen uitzoeken welke browsers er zijn. Wat zijn de overeenkomsten?

3. Meer programma’s maar wel anders (project)

Er zijn ook programma’s die wel verschillen in mogelijkheden, maar toch voor het zelfde doel gebruikt kunnen worden. Laat kinderen bedenken welke programma’s je kunt gebruiken voor: een presentatie (Powerpoint, Prezi) of voor het maken van een digitale poster, tekening, oefenlijstjes.

Laat de kinderen in groepjes een set programma’s uitzoeken en ordenen. Vraag elk groepje een presentatie te maken van de overeenkomsten en verschillen. Waarom hebben kinderen een voorkeur voor het ene of andere programma?

4. Slimme tips en trucs (1x per maand)

Het bedienen van programma’s vraagt om ervaring en behendigheid. Lang niet alle functies heb je nodig. Het is daarom zinvol om regelmatig kennis met elkaar te delen vanuit de praktijksituatie. Laat kinderen die handig zijn met een bepaald programma af en toe iets demonstreren of uitleggen aan de andere kinderen. Geef daarna de kinderen de ruimte om ook zelf te experimenteren met de nieuwe kennis over het bedienen van zo’n programma.

Doelstelling Voortgezet onderwijs:

Kent verschillende omgevingen waarin hetzelfde doel bereikt kan worden (prezi versus powerpoint, firefox versus explorer). Weet wanneer welke geschikt zijn om in te zetten.

Voorbeeldtaak: Kan met programma/app werken

Kan switchen tussen de verschillende apps en programma’s, kan instellingen van verschillende programma’s beheren en aanpassen aan eigen wensen, en kan programma’s verwijderen.

1. Instructie/leergesprek:

Als de leerlingen kennis hebben gemaakt met diverse programma’s voor basistechnieken is het goed om een les te besteden aan het overzicht van de functies van programma’s. Begin bij de programma’s die op school in gebruik zijn voor: tekstverwerken, e-mailen, presenteren, internetbrowser.

  • Laat de leerlingen hier de eigenschappen van ordenen. Wat doe je met welk type programma?
  • Besteed ook aandacht aan het zorgvuldig opslaan en terugvindbaar maken van (huis)werk en werkstukken op de leeromgeving van de school.

2. Verwerking/oefening:

Als de leerlingen vertrouwd zijn met de programma’s die op school in gebruik zijn, kunnen ze uitgedaagd worden om eens te gaan vergelijken van verschillende programma’s met vergelijkbare functies. Gebruik je thuis hetzelfde programma voor browsen op internet?

  • Laat de leerlingen uitzoeken welke browsers er zijn. Wat zijn de overeenkomsten en verschillen? Wanneer kies je voor een bepaald programma?
  • Zijn er van bepaalde veelgebruikte programma’s grote verschillen tussen de desktopversie en de app? Laat leerlingen in groepjes een vergelijking maken van enkele favoriete programma’s.

3. Presentatie/expressie:

  • Er zijn ook programma’s die wel verschillen in mogelijkheden, maar toch voor het zelfde doel gebruikt kunnen worden. Laat leerlingen bedenken welke programma’s je kunt gebruiken voor: een presentatie (Powerpoint, Prezi) of voor het maken van een digitale poster, tekening, oefenlijstjes.
  • Laat de leerlingen in groepjes een set programma’s uitzoeken en ordenen. Vraag elk groepje een presentatie te maken van de overeenkomsten en verschillen. Waarom hebben de leerlingen zelf een voorkeur voor het ene of andere programma?
  • Het bedienen van programma’s vraagt om ervaring en behendigheid. Lang niet alle functies heb je nodig. Het is daarom zinvol om regelmatig kennis met elkaar te delen vanuit de praktijksituatie. Laat kinderen die handig zijn met een bepaald programma af en toe iets demonstreren of uitleggen aan de andere kinderen. Geef daarna de kinderen de ruimte om ook zelf te experimenteren met de nieuwe kennis over het bedienen van zo’n programma.