2014-12-04 13.39.18

Mediawijsheidscompetentie C3 staat voor: Participeren in sociale netwerken.

Veel websites zijn sociaal georiënteerd. De gebruikers kunnen er content maken of verrijken. Maar daarna is het vaak mogelijk om dat met anderen te delen in je online netwerk. Er zijn ook toepassingen die als hoofdfunctie het bieden van een netwerk hebben (Twitter, Facebook). Kinderen moeten leren hoe ze daarin op de goede manier kunnen deelnemen.


Ontdek onze werkvormen en andere lesmaterialen bij de competentie Participeren in sociale netwerken.



Ontdek de leerlijnsuggesties bij deze competentie.
Klik op de tabbladen voor de juiste groep.


Doelstelling groep 1/2:

Het participeren in sociale netwerken is in kleutergroepen vooral gericht op sociale netwerken in het echte leven.

Hierbij gaat het om sociale vaardigheden als: samen spelen, leren delen, omgaan met teleurstellingen, vrede sluiten. Veel spelactiviteiten zijn hierop gericht en ze zijn ook een van de voorwaarde voor een goed sociaal gedrag online.

Doelstelling groep 3/4:

Onderhoudt onder begeleiding via sociale netwerken contact met zowel familie, vrienden, verenigingsgenoten en medescholieren.

Voorbeeldtaak: Een account beheren.

Kan op door leerkracht ingestelde platforms inloggen en werken onder eigen account.

1. Fotobabbel maken (projectmatig)

Er zijn veel online tools waarin de resultaten worden gedeeld met alle bezoekers van dat platform. Het is belangrijk om kinderen daar vertrouwd mee te maken. Een eenvoudig middel is het maken van een praatje bij een plaatje, de fotobabbel.  Deze werkvorm is ook geschikt voor kleuters, maar kan voor het ontwikkelen van deze mediacompetentie ook goed in hogere groepen gebruikt worden.

2. Foto’s delen (4x per jaar, of projectmatig)

Het delen van gevonden afbeeldingen is een eenvoudige manier om in een netwerk deel te nemen. Dat kan in een afgeschermde omgeving, zoals de leeromgeving van de school. Maar het kan ook met een online mediatool als Pinterest. Wanneer kinderen daarop een account kunnen gebruiken kunnen ze hun eigen beeldverzameling aanleggen en delen met anderen.

3. Poster delen (projectmatig)

Het maken van een poster voor een spreekbeurt of als verslag van een activiteit kan onder begeleiding van de leerkracht een keer worden gedaan. Het doel is dan niet zozeer het maken van de poster, maar de publicatie ervan op een sociaal netwerk. Bespreek met de kinderen wat het betekent om reacties of ‘likes’ te krijgen op een gepubliceerd product.

4. Verslag maken (3x per jaar)

Aan het eind van een project of thema kunnen kinderen een verslag maken voor publicatie op de website van de school of de groep. Laat de kinderen bedenken hoe ze anderen kunnen uitnodigen om hun verslag te komen lezen op de website. Het delen van de URL via een e-mail of een kaartje aan familieleden of buren is een goede mogelijkheid.

Doelstelling groep 5/6:

Onderhoudt via sociale netwerken contact met zowel familie, vrienden, verenigingsgenoten en medescholieren.

Heeft een profiel op een of meer sociale netwerksites.

Voorbeeldtaak: Een account beheren.

Kan een inlognaam en wachtwoord kiezen op een platform thuis of op school.

1. Een wachtwoord kiezen (project)

Het kiezen, en regelmatig veranderen van een wachtwoord, verdient aandacht. Het is daarom goed om hier een paar keer per jaar aandacht voor te vragen. Niet als afzonderlijk lesonderwerp, maar vooral in samenhang met een bepaald project of een nieuw te gebruiken mediatool.

2. Flitskaarten maken en delen (3x per jaar)

Wanneer je zelf iets moet leren voor een bepaalde toets kan het handig zijn om voor jezelf flitskaarten te maken. Alleen al van het maken leer je de stof. En dan kun je er ook nog mee oefenen. Online flitskaarten kun je ook delen met anderen. En je kunt misschien ook de kaarten van anderen gebruiken. Leer kinderen bij veelvoorkomende kennisgebieden eens kritisch kijken naar flitskaarten die anderen hebben gedeeld.

3. Een blog lezen (projectmatig, of 1x per maand)

Een uitwisselingsprogramma met een andere school kan erg leuk zijn om leerlingen te laten ervaren wat het is om een blogartikel te schrijven en daar ook reacties op te krijgen. Zoek daarvoor contact met een andere leerkracht op een andere plaats in het land, of op een Nederlandse school in het buitenland.

4. Twitterberichten lezen (projectmatig)

Besteed aandacht aan de sociale netwerken Twitter en Facebook, ook als leerlingen daarop geen eigen account hebben. Laat bijvoorbeeld zien hoe een twitter-bericht is opgebouwd en ga samen met de kinderen op zoek naar informatie over een actueel onderwerp dat de kinderen aanspreekt. Wat wordt daarover op twitter gezegd. Hoe reageren mensen op elkaar en wat delen ze met elkaar? Voer hierover een leergesprek: wat deel je wel en niet in het openbaar?

Doelstelling groep 7/8:

Onderhoudt via sociale netwerken contact met zowel familie, vrienden, verenigingsgenoten en medescholieren. Reageert op ondersteunende wijze op de activiteiten van anderen op diverse sociale netwerken.

Heeft een bewust vormgegeven profiel op een of meer sociale netwerksites. Deelt interessante en vermakelijke content, zowel in persoonlijke als onderwijscontexten. Reageert alert en constructief op posts van anderen, en houdt zo de community levendig en interessant. Kan nieuwe online relaties aangaan en bestaande relaties koesteren.

Stimuleert de interactie tussen anderen. Bevordert de participatie van andere community members. Herkent uitsluiting, flaming en destructief gedrag van anderen.

Voorbeeldtaak: Een account beheren.

Kan een account aanmaken en personaliseren, en nadenken over privacy.

1. Meedoen op internet (4x per jaar)

Bespreek met leerlingen niet alleen wat ze op televisie hebben gezien, maar ook wat ze zien op internet. Filmpjes die worden gedeeld, maar ook de eventuele sociale netwerken waar kinderen op zitten. Besteed aandacht aan veilig internetgebruik op deze netwerken. Pas daarbij wel op voor een eenzijdige aandacht voor de gevaren van sociale netwerken. Maar geef ook voorbeelden van goed en positief gebruik. En besteed hierbij regelmatig aandacht aan het correct omgaan met privacy en wachtwoorden.

2. Online ontmoetingen (2x per jaar)

Probeer een paar keer per jaar een online ontmoeting te organiseren met kinderen elders in het land of elders in de wereld (bijvoorbeeld met expats). Door een sociaal platform te kiezen om met de groep te gebruiken, kunnen kinderen met kinderen elders contact onderhouden. Leerzaam en betekenisvolle context om mediavaardigheden op te doen. Dit vereist wel enig voorwerk, maar via een bevriende leerkracht kan er interessante uitwisseling worden gerealiseerd.

3. Twitterrollenspel (project)

Twitter is niet alleen te gebruiken als sociaal medium, maar ook voor een rollenspel in het kader van een project. Laat kinderen zich verplaatsen in een of meer personages en tweets schrijven vanuit die personages. Een bijzonder leuke verwerkingsmogelijkheid bijvoorbeeld voor geschiedenis.

4. Groepsverslag (project)

Het delen van ervaringen is een kern van de meeste sociale netwerken. Het delen van de ervaringen uit een project of bijvoorbeeld een werkweek kan heel goed met een groepsverslag. Daarvoor kan het beste een sociaal netwerk worden gekozen waarop ook reacties zijn te verwachten. Bijvoorbeeld een blog of een online sociaal platform. Bespreek ook met de leerlingen hoe ze lezers kunnen uitnodigen om hun berichten te vinden te lezen en te delen.

5. Youtube (4x per jaar)

Een onuitputtelijke bron voor visuele informatie is Youtube. Veel kinderen zullen daar regelmatig filmpjes bekijken en misschien ook wel posten. Maak met de groep bijvoorbeeld een account aan en ontwikkel een eigen videokanaal. Welke filmpjes willen de kinderen delen met anderen? Het eigen kanaal wint aan kracht als er een bepaald thema wordt gekozen.

Doelstelling Voortgezet onderwijs:

Onderhoudt via sociale netwerken contact met zowel familie, vrienden, verenigingsgenoten en medescholieren. Reageert op ondersteunende wijze op de activiteiten van anderen op diverse sociale netwerken.

Heeft een bewust vormgegeven profiel op een of meer sociale netwerksites. Deelt interessante en vermakelijke content, zowel in persoonlijke als onderwijscontexten. Reageert alert en constructief op posts van anderen, en houdt zo de community levendig en interessant. Kan nieuwe online relaties aangaan en bestaande relaties koesteren.

Stimuleert de interactie tussen anderen. Bevordert de participatie van andere community members. Herkent uitsluiting, flaming en destructief gedrag van anderen.

Voorbeeldtaak: Een account beheren.

Kan een account aanmaken en personaliseren, en nadenken over privacy.

1. Instructie/leergesprek:

  • Besteed regelmatig aandacht aan de instellingsmogelijkheden van populaire sociale media. Vergroot daardoor de kennis van leerlingen, zodat ze beter kunnen beheren wat ze delen met wie.
  • Analyseer een aantal profielen van leerlingen gezamenlijk en laat leerlingen elkaar aanbevelingen geven hoe het beter kan. Let op: creëer een veilige sfeer, waarin dit soort persoonlijke informatie ook goed besproken kan worden.

2. Verwerking/oefening:

  • Geef leerlingen de ruimte om een (minder bekend) social medium te verkennen. Laat ze samen bespreken wat de belangrijkste eigenschappen ervan zijn, en voor wat voor soort boodschappen dit medium vooral geschikt is.
  • Maak samen een overzichtspresentatie (digitaal of anders) waarin meer verschillende media naast elkaar vergeleken worden. (bijv. tijdens een project)
  • Laat leerlingen tijdens een activiteit met een andere werkvorm onderzoeken hoe ze het digitale eindproduct het beste kunnen delen (op twitter, facebook, snapchat, etc.). Besteed daarbij vooral ook aandacht aan de vraag: wie wil je bereiken en op welk netwerk bereik je die persoon/personen het beste?

3. Presentatie/expressie:

  • Laat leerlingen in groepjes een spannend verhaal bedenken, uitwerken en presenteren over een held op de sociale media. Een held is in dit geval iemand die: de media positief gebruikt, slechte dingen probeert aan te pakken en minstens een goede daad verricht waar anderen blij van worden.
  • Ga in de nabespreking in op het gedrag van de gepresenteerde helden. Zouden leerlingen zelf zo’n held kunnen of willen zijn? Wat is er voor nodig om een held te zijn? Betrek zo mogelijk ook het beleid tegen pesten op sociale media hierin.