2014-12-04 13.44.35

Mediawijsheidscompetentie S1 staat voor: Reflecteren op het eigen mediagebruik.

We gebruiken allemaal steeds vaker media. Ze zijn overal om ons heen en veel mensen vinden het belangrijk om steeds in contact te blijven met informatiebronnen en met elkaar. Daarom moet je zelf keuzes leren maken. Dat doe je door regelmatig na te denken hoe je zelf media gebruikt en waarvoor je ze nodig hebt.


Ontdek onze werkvormen en andere lesmaterialen bij de competentie Reflecteren op het eigen mediagebruik..



Ontdek de leerlijnsuggesties bij deze competentie.
Klik op de tabbladen voor de juiste groep.


Doelstelling groep 1/2:


Voorbeeldtaak: Gesprek voeren over eigen mediagebruik.

Kan vragen van leerkracht beantwoorden die gaan over hoe vaak een medium wordt gebruikt en wat ermee gedaan wordt.

Voorbeeldtaak: Gesprek voeren over risico’s van delen van persoonlijke informatie.

Kan praten over stereotypen (hoe herken je een prinses?).

1. Wat doe jij als je thuiskomt? (enkele keren per jaar)

Je komt thuis na een dag op school, of de BSO. Wat doe je dan? Hoe kun jij even lekker uitrusten? Laat kinderen vertellen wat zij als ontspanning doen. Is ‘even op de computer’ ontspanning of juist niet? Dat hoeft niet voor elk kind hetzelfde te zijn.  Voer zo’n gesprekje eens als er vanuit de inbreng in het kringgesprek een mooie aanleiding voor is. Betrek verschillende mediatypen in de ervaringsverhalen.

2. Kies je plaatje (1x per jaar)

In de onderbouw krijgen kinderen in veel schoolnetwerken een pictogram of avatar in het keuzemenu. Mogen ze zelf een plaatje kiezen, voer dan het gesprek over die keuze. Waar wil je op lijken? Hoe ziet dat eruit? Welk plaatje past echt bij jou en waarom?

3. Wie speelt daar met de afstandsbediening? (1x per jaar)

Een leuk gespreksonderwerp als er een groot evenement op de televisie is, bijvoorbeeld een sporttoernooi (voetbal, olympische spelen, tennis). Voer met de kinderen een gesprek over het kijkgedrag in huis. Een leuke invalshoek is: wie heeft de afstandsbediening in de hand? Mag jij ook bepalen naar welke zender er gekeken wordt? Hoe spreek je dat thuis af?

 

Doelstelling groep 3/4:

Voorbeeldtaak: Gesprek voeren over eigen mediagebruik.

Kan aangeven wat het verschil is tussen eigen mediagebruik en dat van anderen (meer/minder, zelfde soorten).

Voorbeeldtaak: Gesprek voeren over risico’s van delen van persoonlijke informatie.

Kan praten over hoe anderen naar jou kijken en hoe je zelf wil overkomen.

1. Mijn media (project)

Maak met de kinderen een inventarisatie van de media die ze kennen en zelf gebruiken. Maak een collage of poster van het mediagebruik van de groep. Dit is een mooie momentopname. Leuk om te delen met de ouders en om na een jaar nog eens op terug te kijken.

2. Hoe deed je dat dan vroeger? (project)

In het kader van aanvankelijk geschiedenisonderwijs of wereldoriëntatie kunnen kinderen eens gaan vragen aan ouderen (grootouders, buren) wat die vroeger deden toen er nog geen computers waren? Hoe zocht je dan iets op als je iets moest weten? Hoe kwam je aan informatie zonder: buienradar, verkeersinformatie, google, twitter, Facebook, etc. Nodig eventueel een goede verteller uit de buurt uit in de klas, die de kinderen met een inleidend verhaal goed mee kan nemen.

Maak samen een presentatie of verslag van de resultaten in een geschikte vorm.

3. Een kaartje krijgen is fijn! (1x per maand)

Sociale vaardigheden kunnen ook met media worden geoefend. Je inleven in een ander en daar even aandacht aan geven is waardevol. De ander positief verrassen maakt je zelf ook blij. Het sturen van een kaartje naar iemand die aandacht verdiend kun je in de klas heel goed tot een vast thema maken, bijv. 1x per week of per maand. Wie krijgt er van onze groep een kaartje? Laat de kinderen nadenken over iemand die ze kennen, en die wel een kaartje verdient (wegens ziekte, pech, felicitaties, etc). Laat twee of drie kinderen een geschikte kaart uitzoeken (waarom die?) en versturen.

Doelstelling groep 5/6:

Is zich bewust van eigen patroon van mediagebruik.

Voorbeeldtaak: Gesprek voeren over eigen mediagebruik.

Kan aangeven wat de relatie is tussen mediagebruik en bijvoorbeeld tijd voor andere hobby’s, tijd voor school, kennis van nieuws, etc.

Voorbeeldtaak: Gesprek voeren over risico’s van delen van persoonlijke informatie.

Is in staat om willekeurige mensen online op te zoeken, er achter te komen wat er over die mensen bekend is, en deze personen typeren.

1. Mijn agenda (project)

Hoe ziet jouw dag eruit? Tijdsbesteding (time-management) is niet alleen van belang voor volwassenen. Ook kinderen kunnen baat hebben bij inzicht in hun agenda. Hoe ziet de dag eruit? Hoeveel uur besteed je aan school, eten, slapen, hobby, mediagebruik? In een project kan dit een onderwerp zijn waarbij ook een agenda als hulpmiddel geïntroduceerd wordt.

2. Heb jij media op je kamer? (project)

Het maken van een plattegrond van de eigen slaapkamer van kinderen kan ook een aanleiding zijn om te praten over wat voor media je op je eigen kamer hebt. Wie kijkt op zijn/haar eigen kamer tv? Wie heeft een computer op de kamer? Hoe fijn dat ook kan zijn, er is ook een nadeel. Wat doe je als je in je eentje nare dingen hebt gezien? Of als er iets minder leuks op internet gebeurt? Maak kinderen duidelijk dat het verstandig is dat ze erover praten met anderen als er iets vervelends was.

3. Wie is die bekende Nederlander? (2x per jaar)

Actualiteiten in het Jeugdjournaal bieden een goede opstap om eens te zoeken naar informatie over personen. Kies samen één of meer personen en laat de kinderen in groepjes zoeken naar informatie over die persoon. Wat kun je allemaal vinden? Hoe kun je zien of het waar is? Wat voor beeld heb je nu van die persoon? Hetzelfde kun je doen met een bekende artiest waar meer kinderen fan van zijn.

4. Profielfoto’s maken (project)

Gebruikt de school een intern netwerk waarop de kinderen met hun profielfoto staan, dan is een fotoproject leuk om te doen. Hoe wil jij (herkenbaar!) op het schoolnetwerk staan? Wat is kenmerkend voor jou, hoe wil je herkend worden? Voor deze opdracht zijn digitale camera’s nodig. Laat de kinderen elkaar fotograferen. Bespreek wat er kan en mag. Bespreek daarna ook wat ‘profilering’ betekent. Maak de kinderen bewust van het beeld dat je met een profielfoto oproept.

Doelstelling groep 7/8:

Doseert de duur en frequentie van het eigen mediagebruik. Doorgrondt mediamechanismen die verleiden om steeds verder te lezen, kijken, klikken of spelen.

Beseft hoe het eigen mediagebruik invloed heeft op de eigen levensstijl. Kan analyseren hoe de eigen mediaconsumptie van invloed is op de eigen kijk op de wereld (“je bent wat je surft/ kijkt/ speelt/ downloadt”).

Houdt de ervaringshorizon ruim door de eigen mediaconsumptie divers te houden.

Voorbeeldtaak: Gesprek voeren over eigen mediagebruik.

Kan eigen mediagebruik onder woorden brengen en reguleren.

Voorbeeldtaak: Gesprek voeren over risico’s van delen van persoonlijke informatie.

Is in staat zichzelf op te zoeken op internet en is zich bewust van het effect van zijn online imago.

1. Ben jij te vinden op internet? (project)

Laat kinderen via Google eens zoeken naar hun eigen naam. Zijn ze vindbaar? Bespreek wat de kinderen zelf hebben gedaan waardoor ze vindbaar zijn. Denk hierbij aan aanwezigheid op sociale netwerken. Een kind kan ook wel vindbaar zijn (bijv. via uitslagenlijst van sportwedstrijden), maar niet zelf op sociale media zit. Voer aan de hand daarvan een gesprek over de privacy: hoe zorgvuldig wil je dat ze met jouw gegevens omgaan? Doe je dat ook met die van anderen?

2. Verleiders op websites? (1x per maand)

Er zijn veel websites die bol staan van reclame. Vooral websites die kinderen graag bezoeken voor informatie over songteksten bevatten heel veel reclame. Bekijk samen eens een paar favoriete websites van de kinderen en bespreek welke verleidingstrucs er op die pagina’s voorkomen om je te laten klikken op een advertentie. Bespreek ook wat je moet doen als je ergens (per ongeluk) iets hebt aangevraagd (melden aan je ouders).

3. Spelletjes spelen (enkele keren per jaar)

Kinderen zullen naar verwachting zelf de weg vinden naar het spelen van spelletjes of games op de computer. In het kader van mediawijsheid is het belangrijk om hier regelmatig aandacht aan te besteden. Wat spelen kinderen graag voor spellen? Wat voor soort spellen zijn er? Waarom vind je een spel leuk of niet leuk? Reflecteer ook op de hoeveelheid tijd die kinderen besteden aan het spelen van computerspellen.

4. Vragen, zoeken en nadenken (enkele keren per jaar)

Het stellen van vragen in je netwerk gaat heel eenvoudig. Op Twitter werk je met #durftevragen of #dtv en iedereen die je wil helpen geeft antwoord. Een vraag stellen op een forum of een andere onlinegroep gaat ook heel makkelijk. Maar wat doe je met het antwoord? Maak de kinderen kritisch op informatie ‘die op internet staat’. Voer een gesprek met de kinderen over de betrouwbaarheid van informatie. Klopt het wat je als advies krijgt? Hoe kun je dat onderzoeken? Waar moet je goed over nadenken voor je iets vraagt, of voordat je de informatie gebruikt?

5. Samen delen (enkele keren per jaar)

Sociale netwerken kunnen kinderen (en volwassenen) met elkaar verbinden. Dat is positief. Maar wie buitengesloten wordt, of wordt gepest kent de grote nadelen van de nieuwe media. Zeker voor kinderen in de naderende puberleeftijd wordt ‘erbij horen’ steeds belangrijker. Wees als leerkracht zeer alert op het buitensluiten en pesten van leerlingen, juist via de sociale media. Besef ook dat niet alles transparant te zien is. Creëer regelmatig een open gesprek hierover, ook zonder een directe aanleiding in de eigen school.

Doelstelling Voortgezet onderwijs:

Doseert de duur en frequentie van het eigen mediagebruik. Doorgrondt mediamechanismen die verleiden om steeds verder te lezen, kijken, klikken of spelen.

Beseft hoe het eigen mediagebruik invloed heeft op de eigen levensstijl. Kan analyseren hoe de eigen mediaconsumptie van invloed is op de eigen kijk op de wereld (“je bent wat je surft/ kijkt/ speelt/ downloadt”).

Houdt de ervaringshorizon ruim door de eigen mediaconsumptie divers te houden.

Voorbeeldtaak: Gesprek voeren over eigen mediagebruik.

Kan eigen mediagebruik onder woorden brengen en reguleren.

Voorbeeldtaak: Gesprek voeren over risico’s van delen van persoonlijke informatie.

Is in staat zichzelf op te zoeken op internet en is zich bewust van het effect van zijn online imago.

1. Instructie/leergesprek: 

  • Ben ik vindbaar? Laat leerlingen via Google eens zoeken naar hun eigen naam. Zijn ze vindbaar? Bespreek wat de leerlingen zelf hebben gedaan waardoor ze vindbaar zijn. Denk hierbij aan aanwezigheid op sociale netwerken.
  • Een leerling kan ook wel vindbaar zijn (bijv. via uitslagenlijst van sportwedstrijden), maar niet zelf op sociale media zit. Voer aan de hand daarvan een gesprek over de privacy: hoe zorgvuldig wil je dat ze met jouw gegevens omgaan? Doe je dat ook met die van anderen
  • Sociale netwerken kunnen kinderen (en volwassenen) met elkaar verbinden. Dat is positief. Maar wie buitengesloten wordt, of wordt gepest kent de grote nadelen van de nieuwe media. Zeker voor leerlingen in de puberleeftijd wordt ‘erbij horen’ steeds belangrijker. Wees als docent zeer alert op het buitensluiten en pesten van leerlingen, juist via de sociale media. Besef ook dat niet alles transparant te zien is. Creëer regelmatig een open gesprek hierover, ook zonder een directe aanleiding in de eigen school.

 

2. Verwerking/oefening:

  • Het stellen van vragen in je netwerk gaat heel eenvoudig. Op Twitter werk je met #durftevragen of #dtv en iedereen die je wil helpen geeft antwoord. Een vraag stellen op een forum of een andere onlinegroep gaat ook heel makkelijk. Maar wat doe je met het antwoord? Laat de leerlingen kritisch kijken naar informatie ‘die op internet staat’ over een onderwerp waar ze al meer van weten. Bespreek na hoe je kunt letten op de betrouwbaarheid van informatie. Klopt het wat je als advies krijgt? Hoe kun je dat onderzoeken? Waar moet je goed over nadenken voor je iets vraagt, of voordat je de informatie gebruikt?
  • Websites die leerlingen graag bezoeken voor informatie over songteksten bevatten heel veel reclame. Laat de leerlingen in groepjes of tweetallen een paar favoriete websites bekijken en bespreken welke verleidingstrucs er op die pagina’s voorkomen om je te laten klikken op een advertentie. Bespreek ook na wat je moet doen als je ergens (per ongeluk) iets hebt aangevraagd (melden aan je ouders).

3. Presentatie/expressie:

Spelletjes spelen op je computer of smartphone is een zeer geliefde bezigheid. Leerlingen vinden zelf de weg naar de games. In het kader van mediawijsheid is het belangrijk om hier regelmatig aandacht aan te besteden. Laat leerlingen presenteren wat ze spelen:

  • Wat spelen leerlingen graag voor spellen?
  • Wat voor soort spellen zijn er?
  • Waarom vind je een spel leuk of niet leuk?
  • Reflecteer ook op de hoeveelheid tijd die leerlingen besteden aan het spelen van computerspellen.