2014-12-04 13.38.25

Mediawijsheidscompetentie B3 staat voor: Zien hoe media de werkelijkheid kleuren.

Deze competentie gaat over snappen wat de werking van media is. Kinderen leren, door bewust te kijken en te bespreken, dat media vaak niet objectief zijn en dat informatie gekleurd kan zijn. De afzender van de boodschap heeft vaak een bepaald doel. Dat moet je leren zien en doorzien.


Ontdek onze werkvormen en andere lesmaterialen bij de competentie Zien hoe media de werkelijkheid kleuren.



Ontdek de leerlijnsuggesties bij deze competentie.
Klik op de tabbladen voor de juiste groep.


Doelstelling groep 1/2:

Weten dat er programma’s bestaan..

Voorbeeldtaak: Praten over verschillen tussen media

Kent verschillende programma’s / websites.

1. Kringgesprek (1x per week)

Praat regelmatig met de kinderen over wat ze hebben gezien op televisie of over programma’s die populair zijn.

  • Wat is een leuk tv-programma? Wie is de hoofdpersoon?
  • Laat logo’s of personages zien van verschillende populaire programma’s. Weten de kinderen de naam van het programma of het personage?
  • Welke websites ken je? Gebruik je ze zelf of met papa/mama?
  • Zijn er ook tv-programma’s met websites erbij?

2. Bekijk samen een paar programma’s (1x per maand)

Op de website van de NTR of Schooltv zijn hele bruikbare filmpjes te vinden. Ze zijn ingedeeld naar onderwerpen en leeftijdsgroepen. Kies hieruit wat past bij je groep leerlingen en het thema waarbij je mediawijsheid wilt aanbieden. Zo kun je bijvoorbeeld zoeken op ‘herfst’ en leeftijdsgroep 5-6 jarigen.

3. NTR-filmpje: een kijkje bij Huisje Boompje Beestje

Schooltv maakte een filmpje over hoe dit programma voor jonge kinderen wordt gemaakt. Geschikt voor mediawijsheid voor jongere kinderen.

Doelstelling groep 3/4:

Beseft dat mediaboodschappen vaak een format hebben. Journaal heeft ander format dan een entertainmentprogramma. Informatieve website heeft een andere indeling dan een spel.

Voorbeeldtaak: Praten over verschillen tussen media

Kan verschillen aangeven tussen programma’s / websites.

1. Opbouw van een programma verkennen (1x per maand, elke maand een ander type programma)

Bespreek met de kinderen een favoriet programma. Praat verder door over de opbouw van het programma. Neem bijvoorbeeld een uitzending van het Jeugdjournaal of Klokhuis. Analyseer met de kinderen uit welke stukjes het programma bestaat. Denk aan:

  • Sketch, toneelspel met mensen of dieren
  • Animatie, tekenfilmpje
  • Liedje
  • Weerbericht
  • Filmpje op locatie
  • Presentatie in de studio

Hoe herken je dat er een volgend stukje komt? Maak een schema met de verschillende onderdelen van het bekeken programma.

2. Formats herkennen in tv-programma’s (1x per halfjaar, na stap 1)

Controleer dat schema later met een volgende uitzending van het zelfde programma. Wat is hetzelfde, wat is anders?

Leg uit wat een ‘format’ is: een vaste volgorde van soorten berichten, waardoor het afwisselend en herkenbaar wordt.

3. Tijdschrift-formules (1x per jaar)

Vraag de kinderen drie verschillende nummers mee te brengen van hun favoriete tijdschrift. Laat de kinderen in groepjes de drie nummers met elkaar vergelijken. Heeft een tijdschrift ook een format? Denk hierbij aan: herkenbare voorkant, voorwoord van de redactie, korte berichtjes, brieven van lezers, strip op de achterkant, leesverhaal, fotoverhaal, etc.

Nodig één of enkele kinderen uit om hier een korte spreekbeurt over te houden voor de klas.

4. Vergelijken van programma’s (2x per jaar)

Kijk naar twee verschillende programma’s direct na elkaar. Bijv. Sesamstraat en Klokhuis of Jeugdjournaal en Klokhuis.

Benoem samen met de kinderen de verschillen in het format van het programma.

Doelstelling groep 5/6:

Herkent de perspectieven van waaruit informatie wordt overgedragen.

Herkent wanneer een mediaboodschap gekleurd is.

Voorbeeldtaak: Praten over verschillen tussen media

Kan boodschap uit verschillende bronnen halen en verschillen aangeven.

1. NTR-filmpje: Het reclamebureau (1x)

Bekijk het filmpje: Hoe maak je een goede reclame?

Bespreek welke dingen op tv of in het straatbeeld de kinderen direct herkennen als reclame.

2. Foto’s van reclame verzamelen (1x)

Vraag de kinderen om op straat (samen of in hun vrije tijd) foto’s te maken van reclame die je overal op straat tegenkomt in hun eigen buurt.

Maak samen een collage of een presentatie of een groepsverslag van wat ze hebben verzameld.

Bespreek de resultaten: wie is de afzender? Wat wil hij ermee bereiken? Lukt dat goed denk je?

3. Reclametekst herschrijven (1x per maand, andere opdracht)

Geef kinderen de tekst van een reclamespotje of van een advertentie. Hier wordt overduidelijk reclame gemaakt.

  • Opdracht 1: Herschrijf de tekst nu eens zo dat het geen reclame meer is, maar gewoon een artikeltje over het product. Wat moet eruit, wat moet erbij? Hoe moeilijk is dat?
  • Opdracht 2: Kies een speelgoedreclame gericht op kinderen. Maak er een reclameverhaal van voor ouders om dit speelgoed voor hun kind te kopen.
  • Opdracht 3: Zoek een advertentie voor een goed doel. Vaak roepen ze alleen op om geld te geven. Herschrijf de advertentie. Maak er nu een reclame van om samen iets te gaan doen (wat geld oplevert). Maak er een poster van.

4. Interview een winkelier over reclame (1x, thema of project)

Laat enkele kinderen een interview afnemen bij een winkelier over zijn reclamebeleid. Bereid samen de vragen voor in de les. Laat eventueel enkele andere kinderen het interview filmen.

Doelstelling groep 7/8:

Herkent wanneer mediaboodschappen vooroordelen of rolpatronen bevestigen en versterken.

Evalueert informatie kritisch en laat zich niet gemakkelijk manipuleren.

Voorbeeldtaak: Praten over verschillen tussen media

Kan dezelfde boodschap op verschillende manieren laten zien en de verschillen aanwijzen.

1. Journaals vergelijken (1x per maand)

Bekijk over een belangrijk onderwerp twee verschillende journaaluitzendingen (van dezelfde dag). Bijv. het Jeugdjournaal en het NOS Journaal. Wat zijn de verschillen? Wordt het nieuws anders gebracht over dit onderwerp?

2. Tekst over een evenement (1x, thema of project)

Op jouw school is een bijzonder project georganiseerd. Schrijf de tekst voor een journaalbericht over dit project voor het Jeugdjournaal. Bedenk ook welke beelden je erbij wilt laten zien.
Zou je dezelfde tekst voor het NOS Journaal kunnen gebruiken? Waarom wel of niet?

3. Actie verkeersveiligheid! (1x, project)

Leef je in! In de buurt van jullie school is een drukke verkeersweg. Het is lastig om die veilig over te steken. Ouders en kinderen willen graag dat er wat aan gedaan wordt. De gemeente moet een oplossing bedenken en uitvoeren. Maar iets verderop aan die weg zitten ook winkels en bedrijven. Die hebben voorraad nodig en daar komen klanten naar toe. Vrachtwagens moeten dus ook over die weg weg kunnen rijden.

Maak in de klas drie groepen: ouders/kinderen, bedrijven/vrachtwagenchauffeurs, gemeente/politici.
Kies de weg of straat die voor jullie school zo’n lastige weg is. Maak daar eerst een goede kaart van.

Maak in groepjes een presentatie waarmee je de andere belanghebbenden wilt informeren en overtuigen:

  • Zoek informatie en bronnen over jouw onderwerp.
  • Bedenk wat jullie favoriete oplossing is voor het probleem.
  • Kies een vorm om die zo overtuigend mogelijk te presenteren.

Presenteer aan elkaar. Bespreek daarna met elkaar welke soort informatie er door elk groepje gebruikt is. Wat is gekleurde informatie en wat is objectieve informatie?
Waarom zou een actiegroep gekleurde informatie graag willen gebruiken?

Doelstelling voortgezet onderwijs:

Herkent wanneer mediaboodschappen vooroordelen of rolpatronen bevestigen en versterken.

Evalueert informatie kritisch en laat zich niet gemakkelijk manipuleren.

Voorbeeldtaak: Praten over verschillen tussen media

Kan dezelfde boodschap op verschillende manieren laten zien en de verschillen aanwijzen.

1. Instructie/leergesprek:

  • Kies als docent instructiefilmpjes en websites met lesbrieven bewust en beoordeel vooraf de eventuele kleuring door de afzender goed.
  • Maak je leerlingen duidelijk hoe je zorgvuldig voor een filmpje of informatie hebt gekozen. Wie is de afzender? Wat zegt dat over de inhoud? Welke afwegingen heb je gemaakt? Wat zijn feiten in de informatie en wat zijn meningen?

2. Verwerking/oefening:

  • Vraag leerlingen op dezelfde manier zorgvuldig te kiezen voor materiaal waar ze informatie uit halen. Stimuleer ze de afzender te beoordelen en eventuele tegengestelde opvattingen ook mee te wegen.

3. Presentatie/expressie:

  • Daag leerlingen uit om in hun presentaties expliciet te benoemen of een gevonden mening/afbeelding/filmpje mogelijk gekleurd kan zijn.
  • Laat leerlingen in groepen een presentatie maken over hetzelfde onderwerp vanuit een vooraf opgegeven (tegenstrijdig) standpunt of vooroordeel. Laat ze keuzes maken vanuit de opgelegde rol en die mening verwoorden/verbeelden.
  • Betrek in de beoordeling van werkstukken en presentaties de goede onderbouwing van bronnenkeuze. Hebben leerlingen feiten en meningen weten te onderscheiden?